---
title: "7.4 Meer aspecten"
canonical: "https://www.natuurinclusieve-akkerbouw.nl/space/na02/11272232/7.4%20Meer%20aspecten"
format: markdown
---
Hiertegenover staat kunstmest, wat weinig bijdraagt aan de bodemkwaliteit. Het voedt de gewassen direct met snel opneembare nutriënten en slaat hierbij het bodemleven over. De nutriënten zijn daardoor gevoelig voor uitspoeling en verzilting. Bovendien zorgt het niet voor bodemstructuur verbetering door een gemis aan organische stof. Drijfmestinjecties voeden het bodemleven al meer, maar de bodem wordt verstoord door het injecteren en de nutriënten komen ook snel vrij.

---

<u>Ziekten,</u><u>* plagen en onkruid*</u>

Door de stimulering van een gevarieerder bodemleven is de bodem beter bestand tegen ziekten en plagen. Door de voorbewerking van compost en bokashi is er geen risico op ziekten, plagen of onkruid. Bij het zelf maken van compost of bokashi moet er aandacht worden besteed aan het doden van zaden, ziekten en plagen zodat deze niet op het land worden gebracht. Ook bij het gebruiken van vaste mest moet men rekening houden met het steriliseren van de mest om het verspreiden van bodemziektes en gewasplagen te voorkomen.  
  


---

<span style="color: #172b4d">Ook is organisch materiaal voedsel voor het bodemleven. Na beëindiging van het gebruik van drijfmest of kunstmest wordt het bodemvoedselweb geleidelijk soortenrijker, maar dit kan soms een aantal jaren duren. Verschillende mesttypen stimuleren verschillende bodemorganismen. Vezelrijke mest, zoals stro in ruige mest, stimuleren de aanwezigheid van regenwormen, terwijl de kwaliteit van de mest bepaalt wat voor micro-organismen voorkomen. Over het algemeen neemt aandeel aan schimmels en regenwormen toe. Meer schimmels zorgen voor een efficiënter gebruik van water en nutriënten, wat zorgt voor een lagere gevoeligheid van het ecosysteem voor verstoringen af (bijv. door extreme droogte). Een hogere dichtheid aan regenwormen en andere bodemdieren draagt vervolgens bij aan een groter voedselaanbod voor vogels. Verder zorgt het gebruik van ruige mest of stromest voor specifieke voedselbronnen of nestgelegenheid voor vogels.</span>  
  


---

<u>*Klimaat en emissies*</u>

Een vermindering van het opbrengen van (kunst)mest kan de uitstoot van CO<sub>2</sub> en de uitspoeling van nutriënten tegengaan. Voorbeelden zijn het gebruik van vaste mest en compost, wat langzaam wordt afgebroken en zo het plotseling vrijkomen van nutriënten en koolstof voorkomt. Het vermindert de druk op het klimaat doordat er minder broeikasgassen (zoals CO<sub>2</sub>, methaan en lachgas) vrijkomen bij het uitrijden vooral ten opzichte van drijfmest. Bovendien hoeft er minder kunstmest worden geproduceerd, waardoor er minder broeikasgassen vrijkomen bij de productie hiervan als daarvoor fossiele energie voor gebruikt wordt. Door gebruik van organische mest is er minder uit- en afspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater, die effect heeft op een groter gebied.  
  


---

<u>*Wet- en regelgeving*</u>

Het mestbeleid wordt elk jaar herzien, waarbij de geoorloofde mest-, stikstof- en fosfaatgiften worden aangepast. Per mesttype, bodemtype en landgebruik zijn maximale hoeveelheden, aanwendmethodes en verspreidingsperiodes vastgesteld. Hiernaast moet de productie, het vervoer en het aanwenden van mest volgens een protocol worden geregistreerd. Er zijn enkele uitzonderingen op de standaard regels.

- Zo telt de helft van het fosfaat in compost niet mee bij de totaal opgebrachte hoeveelheid fosfaat. Ondernemers met grond dat in een hoge fosfaatklasse valt, mogen ook extra organische mest aanvoeren.
- De huidige stikstof limiet uit organische meststoffen is 170 kg N/ha, maar dit kan verschillen per gewas en grondsoort. Met het gebruik van dierlijke mest is er een derogatievergunning mogelijk waarbij de limiet kan worden opgehoogd tot 230 of 250 kg N/ha.
- Voor fosfaat is de limiet op grasland 90 kg P/ha, op bouwland 60 kg P/ha en op natuurgrond 20 kg P/ha. Zie de website van RVO voor de meest recente limieten en uitzonderingen.